IJs

Door Diana Silver

for the English language version, go here

 

Het was op het IJs en in de Storm dat ik verzeild raakte in het leven van Edmund Hawkings. Had ik toen geweten hoeveel hij voor mij op zou geven, dan had ik niet geprobeerd hem te doden.

 

Sneeuw jaagde over de vlakte. Scheerlijnen floten en tenten trilden in de wind. Een jongen ploegde door de sneeuw, ingepakt in een jas van elandenleer, zijn gezicht verborgen in het bont. Edmund. Hij reeg het koord van een tent open en dook Stevens’ tent binnen.

Bij de stoof zat de expeditieleider op een veldkruk. Hij leek hier meer op zijn plaats dan in de lederen fauteuils van de sociëteit in Londen. Ik heb altijd gevonden dat hij eerder thuishoort op de eindeloze ijsvlakte dan tussen rinkelend porselein en opgezet jachtgedierte.

“Houd je jas aan, knul, ik zal je niet lang ophouden. Ik wil jou als eerste op de hoogte brengen.”

Edmund staakte zijn gesjor aan de gespen van zijn wanten en keek op.

“Zodra deze storm luwt, keren we terug naar het schip.”

“We gaan terug? We kunnen het nog niet opgeven!”

“Ik weet wat dit voor je betekent, Edmund. En je vader was een dierbare vriend van me, maar de stormen zullen alleen maar verergeren en de ijsverschuiving heeft ons een achterstand van mijlen opgeleverd. Ik sta niet toe dat deze missie hetzelfde lot ondergaat als die van je vader.”

“Sir, alstublieft, we moeten hem vinden!”

Stevens stond op en keek neer op de jongen. “Niet in dit leven, jongen. En nu naar je tent, voordat de storm zijn hoogtepunt bereikt.”

 

Het enige wat ik kende was de wet van de Storm, die raast waar hij wil en stopt voor niemand. Ik vloog op de wind, over de plateaus en om de randen van ijsbergen die kreunden en spleten onder de kracht ervan. Ik wervelde in sneeuwval zo dicht dat het de pooldag als nacht maakte.

Een windvlaag, na een aanloop over het uitgestrekte ijs sterk genoeg om een man tegen de grond te werpen, sneed de tranen uit zijn ogen. Edmund hield zich staande. Hij schreeuwde. Iedereen die zich gewonnen geeft behoort aan het IJs. Mijn eerste indruk van Edmund was die van een gewond dier dat zijn laatste brul uitstoot. Maar Edmund gaf niet op. Zijn schreeuw was er een van woede – jegens het IJs dat zijn vader had gedood, en jegens de Storm, die hem van zijn vader scheidde. Iets aan hem deed me halt houden. Hij schreeuwde tegen de Storm? Dan kon hij wat terug verwachten. Ik trok de windvlagen rondom me en dook op hem neer.

Mijn wereld kantelde. De wind ontglipte me en ik werd omlaag getrokken. Ik voelde me loodzwaar, vastgeklonken. Ik zag de wereld door betraande ogen die dodelijk geschrokken de wereld inkeken. De wind beet in huid, de kou was als een muur van ijs. Als een gekooid beest gooide ik me tegen de wanden van mijn gevangenis, tolde rond ik zijn geest, terwijl de Storm voorbijraasde zonder mij.

“Hou op. Hou op!” Edmunds knieën zonken in de sneeuw en hij drukte de handen tegen zijn slapen. Ik gehoorzaamde. Hij had me van de Storm losgerukt en gevangen. Als hij dat kon, wat kon hij dan nog meer?

Edmund drukte zich overeind. Ik voelde de bewegingen van elke spier waarmee hij zich in evenwicht hield. Zijn gedachten vielen over me heen als een lawine van woorden en beelden en betekenissen.

Edmund keerde zich om naar de tenten, waar het warm was, mijn tegenpool. Ik raakte in paniek. Ik worstelde, duwde hem weg van het kampement. Hij wankelde en viel. Door zijn jas heen zoog de kou alle warmte weg. Vriezen was gevaar, dood. Goed, laat dat mijn redding zijn. Al zijn pogingen om overeind te komen verijdelde ik. Ik voelde hoe de kou vanuit zijn tenen en vingertoppen omhoog kroop: kou tot het hem pijn deed, en pijn tot hij gevoelloos werd. Zijn lichaam liet hem in de steek.

Maar Edmund weigerde op te geven. Hij bleef vasthouden aan zijn leven, wild en verward, ervan overtuigd dat hij om de een of andere reden boven de wet van het IJs had moeten staan. Dus hield ik hem tegen de grond terwijl de vorst door zijn jas kroop. IJs groeide aan zijn lippen en in zijn wimpers. Ik voelde het leven uit hem wegsijpelen. Hoe was het mogelijk dat zo iemand me uit de Storm had getrokken?

En waarom had de Storm me hier achtergelaten? Me verraden? Ik wentelde door de geest van de jongen. Nee, besloot ik, deze keer zou de Storm niet krijgen wat hem toekwam. Ik omhulde hem en beet de wind toe van de jongen af te blijven. Ik ontwrong warmte uit de kracht van de wind en bedekte hem ermee terwijl de Storm raasde. De laatste sneeuwvlagen trokken langs ons heen, de zon verscheen als een waas achter de wolken die meevlogen op de laatste wind. Ik bleef alleen achter en klampte me vast aan Edmund, wiens adem vluchtige wolkjes voor zijn mond vormde.

 

Mannen doorzochten de sneeuwhopen. Met de ingetogenheid van een dodenmars staken ze met afgestompte stokken onder het oppervlak. Maar deze keer eindigde de zoektocht anders dan normaal.

Ik hoorde hun kreten toen ze hem vonden. Ik voelde de beweging in zijn verdoofde ledematen toen ze hem mee droegen, neerlegden en toedekten. Ik was bij hem terwijl hij sliep en voelde de tinteling van warmte in zijn vingers. Buiten kraakte het ijs onder laarzen en klonken stemmen die ik niet geheel verstond. Het klappen van een zeil, en een moment lang verscherpten de geluiden. We waren niet meer alleen. Van dichtbij klonk een diepe ademhaling. De ander stond een tijdlang naast het bed. Toen raakte hij Edmunds schouder aan.

Edmund opende zijn ogen. “Sir…”

“Welkom terug, knul.”

“Wat is er gebeurd?”

“We vonden je buiten de tentenkring,” zei Stevens. Zijn ogen stonden hard. Zorgen of opluchting waren opzij gezet. “Wat deed je buiten het kampement?”

“De wind… de storm…” Edmund schudde zijn hoofd.

Stevens ging naast het bed zitten. “De mannen noemen het een godswonder dat je nog leeft.” Hij bleef een moment stil. “Ik heb in dit land vreemde dingen zien gebeuren. Je zou dood moeten zijn, maar je was nauwelijks bevroren…” Zijn toon veranderde. “Het zou voor nog meer vertraging gezorgd hebben, en de rest van de reis zouden we twee handen tekort zijn gekomen. Als ik je iets opdraag, voer je het uit naar de letter van mijn woord. Dit is Londen niet, dit is de Pool. We vertrouwen elkaar ons leven toe. Als we niet op je kunnen rekenen, heb je geen toekomst als poolreiziger.”

Ik voelde het respect dat Edmund voor de man had, maar Stevens laatste woorden schoten hem in het verkeerde keelgat.

“Alsof je op mijn vader kon rekenen.”

Stevens wreef zijn handen samen. “Je vader… had iets anders. Er konden vreemde dingen gebeuren met hem op het IJs.” Hij stond op. “We doeken het kamp vandaag op. Ik heb de mannen een uur rust gegeven, dat is alles wat we ons kunnen veroorloven. Voordat de storm weer aantrekt moeten we op weg zijn.”

Stevens liet hem alleen. Edmund staarde naar het tentdoek.

“Wie ben jij?” vroeg hij.

Ik had geen naam. Ik was de wind geweest.

“Je komt van de storm,” zei hij. Voor zijn geestesoog zag hij duisternis, felle kou en razend geweld.

Nee. Ik liet hem ijspieken zien en stuifsneeuw op de wind, gierend door de lucht en scherend over de vlaktes, door ravijnen en trillend op het water. Vrijheid.

“De Pool,” zei Edmund. “Jij kent de hele Noordpool!”

Het IJs. Dat was van alle woorden die ik in hem vond het beste.

“Dan weet je waar mijn vader is!”

Wat?

“Mijn vader. We zoeken zijn laatste kamp.”

Zijn gedachten gingen over plaatsen, onbeweeglijk en aanwijsbaar. De Storm leeft in de wind, aantrekkend dan vertragend, kruipend door kieren en aanzwellend in de open ruimte. De wind is nooit op een plek, de wind vliedt.

Edmund gooide de deken van zich af. “Ik laat het je zien.”

Met stijve bewegingen hulde hij zich in zijn jas, trok de kap over zijn hoofd en propte zijn handen in de wanten. Hij dook door de tentflappen. De mannen, in de weer om de tocht voor te bereiden, keken bedenkelijk op toen Edmund hen voorbij liep.

De jongen ploegde de helling op. De sneeuw was droog als poeder. Het stoof niet met ons mee maar werkte ons bij elke stap tegen. De vorst in de lucht stak in zijn ogen en verstijfde zijn ledematen. Hij kende de wereld slechts vanuit zijn kleine, fragiele lichaam. En ik zat daarin even vast als hij.

De helling eindigde in een piek, opgestuwd door verschuivende ijsplaten. Edmund keek naar beneden.

“Ons kamp.” Kleine donkere tenten, sleden, honden.

Hij gebaarde naar de weidse leegte achter ons. “Mijn vaders kamp moet daar zijn, ergens.”

Voor ons lag het eindeloze wit dat zich uitstrekt naar de Pool. Het IJs zoals ik het gekend had was vervuld geweest van dansende luchtstromen, maar nu zag ik het IJs voor het eerst door mensenogen. Leeg, kaal en ontoegeeflijk. Een land verstoken van warmte en houvast. Alleen de vlucht van de wolken boven ons had iets bekends. Ik kon ze haast horen lachen, blindelings zwervend in de wind, zonder gedachten om hen dwars te zitten. Ik vroeg me af of ík ooit weer gedachteloos zou zijn… Mijn herinneringen raakten nu al vervormd onder alle indrukken die door Edmunds zintuigen op me inbeukten.

“IJs! Mijn vaders kamp. Waar is het?”

IJs? Ik ben niet ‘IJs’. Ik wentelde rond in het donker van zijn geest, op zoek naar een uitweg.

Edmund greep zijn hoofd vast. “Hou op!” Uit evenwicht bleef hij met zijn voet haken achter een uitsteeksel. Het ijs onder ons kraakte en brak. Edmund slaakte een kreet. We gleden, ijswanden slokten ons op. Met een klap kwamen we tot stilstand. Aan alle kanten klemde ijswanden ons in, vlak als glas. Edmund keek rond maar er was geen houvast te vinden. Zijn kreten werden gedempt door het ijs.

Hij keek op naar waar nog een klein stuk van de lucht zichtbaar was, zijn ademhaling werd gejaagd.

Je komt hier nooit naar boven.

“Rot op uit mijn hoofd als je me niet gaat helpen!”

Als ik wist hoe…

“Ze kunnen me niet vinden hier. Als ze al komen zoeken.”

Ik voelde me te beroerd om terug te bijten.

Tijd verstreek. Hij begon te rillen.

“IJs?”

…Ik heet niet ‘IJs’. Maar ik ben er nog. Voel je de lucht niet langstrekken? Het stroomt omlaag.

Edmund keek naar beneden. Bij zijn voeten was een groef, nauwelijks hoog genoeg om liggend op zijn rug in te passen.

“Daarheen?” Hij huiverde.

Die kant gaat de wind op. Naar een grote ruimte daarachter.

Met een holle lach zocht Edmund weer boven zich. En vond nog altijd niets. Zijn adem siste tussen zijn tanden. Hij zakte op zijn hurken. Langzaam liet hij zich door de opening zakken en schoof naar beneden.

De uitholling in het ijs werd nauwer. Hij kwam bijna niet meer vooruit. Edmunds ademd kwam in onregelmatige teugen. Ik begreep zijn angst nu pas. De opening hoefde maar een fractie te vernauwen en hij zou onomkeerbaar klem raken.

De tocht trok aan. Het ijs maakte baan en we gleden een grot in, uitgehold en gepolijst door de eindeloze wind. Hoog boven ons glinsterde een ijsdak. Het licht van boven speelde een vreemd spel in de wanden. Groen en blauw; helder waar het licht gevangen zat en intens diep in de schaduw van spelonken. Het was prachtig. Maar alle uitzichten van de wereld konden niet opwegen tegen wat ik was kwijtgeraakt.

De schoonheid had op Edmund eenzelfde uitwerking. Hij keek met even grote woede naar de adembenemende hal. In het midden van de ruimte, op een ronding die ons iets boven de bodem van de grot verhief, bleef hij staan.

“Hij was altijd weg. Altijd hier. Ons liet hij alleen achter. Mijn moeder huilde avonden achtereen, maar was hij er om het te zien? En ik… ik had hem nodig.” Hij kneep zijn handen tot vuisten. “En toen ik eindelijk oud genoeg was om op expeditie te gaan, hield hij me tegen. ‘Te gevaarlijk,’ zei hij, ‘Zet nooit van je leven een voet op het IJs.’ Waarom zou hij mogen gaan? Waarom mocht hij zijn leven op het spel zetten?” Zijn stem was hard en kil. “En nu is hij dood.”

Dus wat doe jij hier?

“Ik zoek hem, dat heb ik je gezegd.”

En als je zijn kamp vindt?

Hij haalde zijn schouders op.

Waarom ben je hier dan?

Lange tijd zei hij niets. De rillingen kwam terug. “De dagen voordat hij vertrok kreeg hij zo’n blik in zijn ogen… Alsof hij recht door me heen keek, naar iets anders. Ik beeldde me altijd in dat zijn ogen dan lichter waren, de kleur hadden van ijs. Ik wil weten wat hij zag, waar hij ons voor in de steek liet, elke keer.” Zijn blik gleed langs de fonkelende ijswanden rondom ons. “Maar dít,” hij spoog de woorden bijna. “Dit kan het niet zijn.”

Het licht veranderde. In een ogenblik vervaagden de kleuren tot zwart en grijs. Edmund dacht aan een zonsondergang, maar de nacht zou hier pas over maanden vallen. De lucht verandere ook. Een sterke wind joeg door de scheuren en openingen van de wanden, en mijn hart sprong op. Het was de Storm.

“Nee!” Edmund klauterde langs rondliggende ijsbrokken naar een uitgang, maar dook daar snel terug. Voorbij de beschutting van grot loeide de wind. Hij staarde naar de ijsvelden die snel verduisterden onder de sneeuw die in pakken neerviel. Het werd snel kouder. Hij dacht aan Stevens en diens voornemen om het kamp op te breken voordat de Storm terugkwam. De vrees om alleen achter te blijven was genoeg om Edmund van al zijn wilskracht te beroven.

“IJs. Jij redde me van de Storm, de vorige keer.”

Ik weet niet of ik dat weer kan.

Zijn angst was tastbaar. Toch verliet hij de grot voor de open vlakte. Zo grimmig als hij de Storm in stapte, zo opgetogen raakte ik.

Maar nu ik in Edmund gevangen zat, was de Storm een ander wezen. De vlagen sloegen om ons heen met onvoorstelbare kracht. Edmunds kleren bevroren. Bijtende kou en droge sneeuw schaafden zijn huid rauw. Hij zocht een weg voorbij pieken en brokstukken van ijs zo groot als huizen. Hij klauterde over richels en zwoegde door sneeuwhopen, tot hij eindelijk over de top van de ijspiek was. Maar de kou begon het van hem te winnen tegen de tijd dat hij eindelijk de voet van een bekende helling bereikte. Iets deed hem struikelen. Hij stak zijn wanten in de sneeuw en groef een gebroken tentstok op. Iets verderop lagen kuilen onder de versgevallen sneeuw, op de plekken waar de tenten hadden gestaan. Edmund hield stil en staarde voor zich uit. Het kamp was opgebroken. Hij zakte door zijn benen.

Je moet hen achterna.

Hij schudde langzaam zijn hoofd. “Hoe zou ik de sleden moeten inhalen? Ik kom niet eens overeind.” Zijn lichaam schudde ongecontroleerd. Er was niet meer dan een restje warmte dat zijn jas nog vasthield. “Bovendien,” zijn stem brak, “Als ik doodga, ben jij vrij.”

Edmund…

“De Storm is hier. Ga mee.”

We hadden niets gedaan dan elkaar tegenwerken, maar nu keken we samen op naar de Storm. Zijn verslagenheid en mijn schuldgevoel vermengden zich. Als ik me terug in de Storm stortte, zou ik werkelijk weer worden zoals ik geweest was: een gedachteloze werveling? Ik kreeg pas gedachten toen ik de zijne hoorde. En wat heerlijk was het om te denken! Ik kreeg pas verlangens toen ik de zijne voelde. Ik kwam niet alleen van de Storm, ik was evenzeer een deel van Edmund.

Ik verroerde me, reikte langs zijn armen en strekte zijn vingers. Waar ik eerder alleen maar had meegekeken met wat hij zag, keek ik nu zelf, ervaarde wat hij voelde. Direct schrok ik terug. Pijn was geen kleinigheid; de kou schuurde en de stramheid van zijn ledematen was beangstigend, de vermoeidheid overweldigend. Ik huiverde; waar haalde hij de moed vandaan om het eindeloze IJs te betreden in een lichaam dat zo breekbaar en weerloos was? Er zat grootsheid in zijn verzet tegen de dood, de opstandigheid waarmee hij aan het leven hing.

Edmunds gedachten hingen nauwelijks nog aan elkaar. Ik merkte dat er openingen waren, uitwegen waardoor ik zou kunnen ontsnappen. Maar dit was niet hoe ik hem achter wilde laten. Zolang ik er was, zou hij niet zo eindigen. De Storm loeide met al zijn macht over ons heen, maar ik was vastberadener. Ik weerde de wind af en verjoeg de sneeuw tot die overal neerviel behalve waar Edmund zat. Maar het zou niet voldoende zijn.

Edmund, je moet opstaan.

Hij knipperde met zijn ogen.

De Storm zal je niets maken, ik beloof het.

Spreken lukte hem niet meer. IJs… Hij wilde me vertellen dat hij niet meer kon, maar beet de woorden weg. Okay.

Ik hielp hem overeind. Ik was me bewust van de Storm zoals ik dat eens geweest was, en had er nu vat op. Ik nam zijn arm en zwiepte ermee. De wind begreep ons en vloog opzij. Edmund keek verwonderd rond en het drong tot me door dat hij ditmaal met míj meekeek.

Dit is de Storm? vroeg hij. Het is prachtig.

Hij voelde de vlucht van de Storm en de eindeloosheid van het IJs, dat overal was, in de heuvels waar we kortgeleden hadden gelopen, onder onze voeten en onder de de sleden en zwoegende hondenpoten verderop op de vlakte, waarvan de sporen in de sneeuw even snel bedekt werden als ze gemaakt waren.

“De expeditie!”

Edmund had een richtingsgevoel dat de Storm onbekend is. Hij wees, en onze beweging wendde de Storm. Edmund rende, de wind in zijn rug.

Hij hijgde en trilde, maar was uitgelaten van zijn ontmoeting met de Storm.

Hier doodgaan zou betekenen dat ik deel wordt van het IJs? Zijn adem stroomde weg in een lach. Ik zou denk ik nergens anders willen sterven.

We glimlachten samen.

 

We hadden nog een eind te gaan. Maar van binnen straalden we. De Storm raasde ons voorbij en op den duur ontwaarden we een rij zwarte vlekjes die tegen het IJs afstaken. Iemand moet ons ook gezien hebben, want de stoet hield halt. Toen we dichterbij kwamen, maakte een enkele gestalte zich los van de groep; Stevens kwam ons tegemoet.

“Edmund Hawkings,” zei hij toen we voor hem stonden. “Welkom terug.”

Edmund verwachtte een uitbrander. Ditmaal moest zelfs Stevens toch bevreemd zijn door zijn onwaarschijnlijke ontsnapping aan de dood. Maar Stevens bleef lange tijd stil. Zijn blik schoot op en neer tussen Edmunds ogen, alsof hij daar iets zocht.

Edmund wilde wegkijken.

Nee! Wij hebben de Storm bewogen. We hoeven onze ogen niet neer te slaan voor welke man dan ook.

“Je hebt dezelfde blik als je vader,” zei Stevens uiteindelijk. Hij gaf Edmund een arm en ze voegden zich samen bij de rest van de expeditie. Edmund was zich vagelijk bewust van de aandacht van iedere man in de wachtende stoet. Voor het eerst kon hij zijn vader begrijpen.

Hij wierp een blik over zijn schouder.

IJs, dit is waar we altijd terug zullen komen. Dit is thuis.

Een windvlaag op ons gezicht droeg een stille uitdaging van de Storm.

Het IJs bespande de horizon. De aanblik blijft altijd in ons geheugen, zelfs als we op de vreemde plaatsen zijn die mensen hebben gebouwd, in streken waar zachtere winden heersen.

“Ijs” © Diana Silver
Diana Silver woont aan de grachten van Leiden en luistert naar de geschiedenis in de stenen van oude en kades en muren. Haar historische fantasy is onder andere gepubliceerd in het kader van de Romeinenweek van RomeinenNU. Je vindt haar op facebook: https://www.facebook.com/diane.silver.96

Ashley Cowles (Utrecht, Nederland) is een Nederlands-Amerikaanse vertaalster en tekstschrijfster met een specialisatie in creatieve communicatie. Als fervent lezer van sci-fi en fantasy gaat ze niet vaak op pad zonder een boek of twee in haar tas. Twee van haar meest geliefde schrijvers zijn Brandon Sanderson en Cherie Priest. Kom meer over haar te weten op www.ashleycowles.nl.   Illustratie van ... Stockafbeeldingen gebruikt.

 

Illustratie van Fran Eisemann.  Stockafbeeldingen gebruikt: Pixabay, Creative Commons, Dreamstime

Wil je reageren op dit verhaal, ga dan naar Het Forum.